![]() - Home - Inhoudsopgave - Voorwoord - Inleiding - Onderzoeksmethode ![]() Introductie - De Geschiedenis - Het Principe - Soorten - De Track De Techniek - Technieken - Veiligheid Natuurkunde - Inleiding - Snelheid - Looping - Remmen - Acceleraties G-krachten - Inleiding - Richting Hoofd - Richting Voeten - Voorwaarts - Achterwaarts - Zijwaarts - Tolerantie - Factoren - Toepassing Achtbaan Fysiologie - Inleiding - Het Zenuwstelsel - De Hypothalamus - De Hypofyse - De Schildklier - De Bijnieren - Adrenaline - De Zenuwen - Evenwichtsorgaan - Toepassing - Overige Reacties ![]() - Conclusie - Discussie - Reflectie - Logboek Frank - Logboek Jonas ![]() - Boeken - Websites - Foto's ![]() - Bezoek TNO |
Onderdeel: Achtbaan Fysiologie
De Bijnieren
De bijnieren ( glandula suprarenalis of adrenalis) zijn niet, zoals de naam zou doen vermoeden, organen die assisteren bij de werking van de nieren. Ze liggen er dan wel bovenop, maar hebben eigenlijk nauwelijks iets te maken met de werking van de nier. Ze zien er uit als afgeplatte, oranje, ongeveer een centimeter grote dikke orgaantjes, die op de top van de nieren liggen, tegen de naar de wervelkolom gerichte zijde. De bijnieren zijn meestal ingebed in het vetkapsel van de nier. Wel bijzonder is de uitgebreide bloedvoorziening, deze bestaat uit maar liefst drie slagaders, die zo snel de bijnieren voorzien van zuurstofrijk bloed. Op doorsnede is aan de bijnier een buitenste cellaag, de schors (cortex), en een centraal deel, het merg (medulla), te onderscheiden. Beide hebben een totaal verschillende taak en zouden dan ook beter als twee verschillende organen kunnen worden beschouwd. ![]() Afb. 034 - De ligging van de bijnieren Het bijniermerg bestaat uit vrij grote, ovale cellen, die met het ene uiteinde tegen een haarvatennet aan liggen en meestal met de andere uitloper tegen een adertje. Je kunt de cellen eigenlijk wel beschouwen als zenuwweefsel omdat er ook daadwerkelijk zenuwcellen aanwezig zijn (ganglioncellen). Ook is dit zo omdat de uitlopers hier van in verbinding staan met zenuwknopen in het ruggenmerg en eigenlijk een soort schakelfunctie hebben, noemt men ze ook wel postganglionaire sympathische neuronen (staan in verbinding met de zenuwknopen in het ruggemerg, de preganglionaire zenuwvezels). Dit is dan weer onderdeel van het sympathische deel van het autonome zenuwstelsel wat eerder al is benoemd. Deze zenuwuitlopers zijn belangrijk voor afgeven van neurotransmitters, in dit geval adrenaline. Het uit ‘zenuwweefsel’ bestaande bijniermerg is dus eigenlijk een klier van het sympathische zenuwstelsel, maar maakt dan wel een hormoon aan in plaats van een impuls. Naast adrenaline wordt er ook nog het bijna gelijke noradrenaline aangemaakt. De speciale functie van het bijniermerg komt in werking door prikkeling van de zenuwvezels die uit het ruggenmerg afkomstig zijn. Zo kan er in heel korte tijd een heel grote hoeveelheid adrenaline en noradrenaline worden afgescheiden. De adrenaline, en in mindere mate het noradrenaline, werken op vele manieren in op het lichaam. Noradrenaline heeft een uitgesproken effect op het bloedvatenstelsel en bij een stijging van het noradrenaline in het bloed wordt de bloeddruk verhoogd. Hier wordt bij het kopje ‘Adrenaline’ verder op in gegaan. De bijnierschors is in tegenstelling tot de cellen van het bijniermerg, die slechts twee hormonen afgeven aan de bloedbaan, producent van verschillende hormoonstoffen. De hormonen van de bijnierschors spelen onder anderen een rol bij de suikerstofwisseling, afweerreacties, waterhuishouding en de zouthuishouding. De hormonen worden ook wel steroïden genoemd, waarvan de meest belangrijke Aldosteron en cortisol zijn. Er zijn drie groepen bijnierschorshormonen (Corticosteroïden): Corticosteroïden worden afgescheiden nadat eerst de hypothalamus CRH (corticotrofine releasing hormone) heeft aangemaakt, dat het hersenaanhangsel (de hypofyse) aanzet tot de afscheiding van corticotrofine. Pas deze stof regelt vervolgens de productie van corticosteroïden door de bijnierschors. 1. De grootste groep wordt gevormd door stoffen die de suikerstofwisseling beïnvloeden en daarom glucocorticoïden heten (gluco van glucose of bloedsuiker, cortico voor schors en steroïd naar de chemische basis). De belangrijkste binnen deze groep is cortisol. Cortisol is verantwoordlijk voor het verhogen van de bloedsuikergehalte. Aangezien glucose de belangrijkste energiebron is voor het lichaam, kan in tijden van verhoogde inspanning (zoals bij stress) zorgen voor de omzetting van eiwitten naar glucose. Ook heeft cortisol functies bij het immuumsysteem. (Cortisol is een van een groep hormonen en stoffen die zorgen voor de verhoging van bloedsuikergehalte. Er is maar één hormoon dat het bloedsuikergehalte omlaag kan brengen, insuline. ) Ook is het belangrijk te weten dat de glucorticoïden worden gevormd onder invloed van ACTH, dat wordt afgescheiden vanuit de hypofyse. ACTH kan ook worden gevormd uit de zelfde vorm als cortisol. Door in de hypothalamus corticotrope factoren ‘los te laten’ wordt zo bij de corticotrope cellen ACTH afgesplists (zie adenohypofyse boven). ACTH heeft invloed op de productie van cortisol en de twee stoffen hebben een ‘negatieve reactie’ op elkaar. 2. De tweede groep beïnvloedt de samenstelling van de mineralen (zouten) in het lichaamsvocht en wordt daarom mineralocorticoïden genoemd. De belangrijkste hier van is het eerder genoemde Aldosteron. Het regelt de hoeveelheid water dat wordt vastgehouden of uitgescheiden via de nieren. De nieren hebben invloed op het Aldosteron gehalte doormiddel van uitscheiden van het hormoon renine. Dit is de zelfde evenwichtssysteem als ACTH en cortisol. ![]() Afb. 035 - De negatieve terugkoppeling ACTH 3. Als laatste groep zijn er de gonadocorticoïden (of androgenen = geslachtshormonen). De bijnierschors produceert deze voor beide geslachten. Dit houdt in de vrouwelijke hormonen: de oestrogenen en progestagenen en de mannelijke hormonen: androgenen. Ook al hebben de bijnierschorshormonen verschillende werkingen, ze hebben wel dezelfde scheikundige basisvorm, deze noemt men het steroïdskelet (bestaat uit ringen van koolstofatomen.) De verschillen zitten nu juist in de samenstelling van de rest- of staartgroepen die aan het steroïdskelet vast zitten. |
|||